Van: "Haye van den Oever" <hvdoever@concepts.nl>
Aan: "Paul Waayers" <waayers@planet.nl>
Onderwerp: Onderzoek BAL-Lamp (2/2)
Datum: donderdag 15 augustus 2002 5:46

- Vrijwel onmiddellijk na afloop van de radiotentoonstelling in Den Haag 
werd op naam van het Electro-Technisch Installatiebureau "Bal" op maandag 
25 maart 1918 om 14:56 uur een octrooiaanvrage ingediend met als titel 
'Lampdetector en schakeling daarvan in een radio-stelsel'. Deze aanvrage 
werd ingeschreven onder nummer 9632, klasse 21a. Op 9 april werd door de 
aanvraagafdeling bericht ontvangen dat als octrooigemachtigden optraden de 
heren ir. J. Knoop Pathuis, mr. H. Blaupot ten Cate, ir. A.E. Jurriaanse, 
en H.J. Kooy, allen verbonden aan de Vereenigde Octrooibureaux 
Bezuidenhout, gevestigd aan de 1e v.d. Boschstraat 1 te Den Haag.

Bal is een aantal malen, op 18 juni, 4 oktober, en 20 december 1918, op 
uitnodiging van de octrooiraad verschenen om zijn aanvrage toe te lichten. 
Op 24 december 1918 is de aanvrage echter afgewezen, waarvan Bal dezelfde 
dag schriftelijk in kennis is gesteld. Tegen deze beslissing kon binnen n 
maand na dagtekening beroep worden ingesteld. Bal heeft echter geen gebruik 
gemaakt van de mogelijkheid om in beroep te gaan, met als resultaat dat de 
afwijzing van de aanvrage op 25 januari 1919 onherroepelijk is geworden. 
Uit de omstandigheid dat Bal niet de moeite heeft genomen in beroep te gaan 
kunnen we opmaken dat hij zelf al tot de slotsom moet zijn gekomen dat de 
aanvrage weinig of geen kans maakte alsnog gehonoreerd te worden of dat de 
reeds gemaakte kosten en de nog te maken kosten verbonden aan een 
beroepsprocedure, alsmede de bij honorering van de aanvrage te betalen 
jaartaxen, toch niet zouden opwegen tegen het van het octrooi te verwachten 
profijt.

Er is wel gespeculeerd dat de octrooiaanvrage zou zijn afgewezen louter en 
alleen vanwege het feit dat Bal zijn lamp reeds vr het indienen van de 
aanvrage op de radiotentoonstelling had gedemonstreerd. Een dergelijke 
formele afwijzing is echter niet aan te nemen, omdat de afhandeling van de 
aanvrage negen maanden heeft geduurd, en omdat Bal in deze periode 
verschillende keren is uitgenodigd om zijn aanvrage toe te lichten. De 
Rijksoctrooiwet van 1910 (artikel 2, lid 5) voorziet trouwens uitdrukkelijk 
in de mogelijkheid voor de aanvrager om zijn vinding of werkwijze op een 
tentoonstelling in de openbaarheid te brengen voorafgaande aan het indienen 
van zijn aanvrage, mits deze openbaarmaking niet langer dan 6 maanden 
voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvrage heeft 
plaatsgevonden. Een vergelijking met andere (wel openbaar gemaakte) 
octrooiaanvragen op radiotechnisch gebied zoals die regelmatig in Radio 
Nieuws werden gepubliceerd leert bovendien dat een termijn van 9 maanden 
voor de afhandeling van de eerste fase van een aanvrage destijds niet als 
ongebruikelijk kort kon worden beschouwd. Uit een en ander kunnen we 
concluderen dat de afwijzing van de octrooiaanvrage (de beslissing tot 
niet-openbaarmaking) niet op formele maar op inhoudelijke gronden is geschied.

Piet Bakker heeft destijds (in: 'Vroege radiotechniek in Nederland, Uitgave 
Stichting Nederlands Omroepmuseum, Hilversum 1994, blz. 15) de 
veronderstelling geuit dat een vulling van de lamp met het edelgas argon, 
om aldus een stabiele laagvacuumlamp te verkrijgen, vermoedelijk de basis 
is geweest van de octrooiaanvrage van Bal, en dat de resultaten van Engelse 
onderzoekers, die een ander edelgas, nl. helium, voor hetzelfde doel 
gebruikten, een rol hebben gespeeld bij de afwijzing. Deze veronderstelling 
is onwaarschijnlijk omdat uit de titel van de ingediende octrooiaanvrage 
niet blijkt dat vulling met argon een wezenlijk bestanddeel van de 
octrooiaanvrage zou hebben gevormd.

Uit de titel 'Lampdetector en schakeling daarvan in een radio-stelsel' 
kunnen we veeleer opmaken dat Bal niet zozeer de lamp zelf als wel de lamp 
als onderdeel van een door hem ontwikkelde schakeling heeft willen 
voordragen voor octrooi. Gezien de mededeling van Polak dat Bal, kennelijk 
betrekkelijk kort vr de tentoonstelling van maart 1918, op experimentele 
wijze de terugkoppeling ontdekte zonder dat hij op dat moment wist dat zijn 
vinding niet origineel was, is de veronderstelling plausibel dat de 
octrooiaanvrage mede betrekking had op de door Bal gevonden schakeling van 
zijn lamp als teruggekoppelde detector. Om over de precieze inhoud van de 
octrooiaanvrage, alsmede over de gronden voor afwijzing, een gefundeerd 
oordeel te vellen zouden we echter de beschikking moeten hebben over het 
complete dossier van de aanvrage.

In de jaren '60 zijn van de zijde van het Postmuseum verscheidene pogingen 
in het werk gesteld om de erfgenamen van Leonard Bal te bewegen toestemming 
te verlenen om bij de octrooiraad een fotokopie van de octrooiaanvrage te 
laten maken. De gang van zaken laat zich reconstrueren aan de hand van de 
afschriften van de terzake gevoerde correspondentie die bewaard zijn 
gebleven in het dossier van Prinsen in het Postmuseum.

Op 20 september 1962 stuurde Prinsen een kort bericht aan Leo Bal jr. met 
de vraag of deze de conservator van het Postmuseum, Ir. Verloop zou willen 
machtigen een kopie te laten maken van de in 1918 door zijn vader 
ingediende octrooiaanvrage. Onduidelijk is, of er op dit bericht een 
reactie is gekomen, maar een aantal weken later, op 14 november 1962 
schreef de toenmalige directeur van het Postmuseum, Dr. R.E.J. Weber, een 
uitgebreide brief aan Leo Bal jr. waarin hij uiteenzet dat zijn museum ten 
behoeve van het vastleggen van de geschiedenis van de electronenbuizen 
graag in het bezit zou komen van een fotokopie van de octrooiaanvrage, maar 
dat de octrooiraad deze slechts wil verstrekken als het museum daarvoor een 
machtiging bezit. Weber geeft aan dat de technisch conservator van het 
museum, Ir. J.M. Verloop, de Heer Leo Bal jr. hiertoe gaarne na afspraak 
zou komen bezoeken.

De brief van Weber leidde niet tot het verkrijgen van de gewenste 
machtiging, want uit een brief d.d. 4 juni 1963 van F.B.A. Prinsen aan 
Verloop blijkt dat het Postmuseum nog steeds niet in het bezit was van een 
fotokopie van de aanvrage. Prinsen geeft in zijn brief aan dat hij naar de 
Burgelijke stand en het Handelsregister van Breda heeft geschreven ten 
behoeve van het verkrijgen van informatie over Bal en verzoekt tevens 
Verloop om nog eens naar de Heer Bal in Bergen N.H. te willen schrijven en 
hem wat concrete vragen omtrent zijn vader te willen stellen.

En passant merk ik op dat het vreemd is dat Prinsen een verzoek richt tot 
Verloop om Leo Bal jr. te schrijven, omdat Prinsen anders altijd zelf de 
correspondentie afhandelde die op zijn terrein lag, namelijk de vastlegging 
t.b.v. het Postmuseum van de vroege geschiedenis van de electronenbuizen in 
Nederland. Dit wijst erop dat Prinsen na zijn eerste bericht van 20 
september 1962 verder vermeed zelf met Leo Bal jr. in contact te treden, 
waaruit we zouden kunnen opmaken dat er iets tussen deze twee moet zijn 
voorgevallen. Leo Bal jr. heeft mij wel eens verteld dat hij in de Tweede 
Wereldoorlog zijn vader had gewaarschuwd voor een zekere Prinsen, die aan 
de kant bleek te staan van de Duitse bezetter. Of de door Bal jr. bedoelde 
Prinsen en de F.B.A. Prinsen gelieerd aan het Postmuseum n en dezelfde 
persoon zijn geweest is voor mij niet uit te maken, maar het zou wel 
verklaren waarom Prinsen de correspondentie met Leo Bal jr. verder overliet 
aan andere medewerkers van het Postmuseum.

Verloop geeft al spoedig gevolg aan het verzoek van Prinsen en stuurt op 12 
juni 1963 nogmaals een brief aan Leo Bal jr., waarin hij memoreert dat in 
de brief d.d. 14 november 1962 zijn medewerking was gevraagd voor het 
verkrijgen van een afschrift van de octrooiaanvrage, en waarin hij nogmaals 
wijst op het belang hiervan voor het vastleggen van de geschiedenis van de 
eerste in Nederland vervaardigde radiolampen.

Ook de brief van Verloop heeft er niet in geresulteerd dat het Postmuseum 
in het bezit kwam van de gevraagde fotokopie van de octrooiaanvrage, want 
jaren later, in 1967, onderneemt Prinsen wederom een poging om de benodigde 
machtiging te verkrijgen. Prinsen schrijft op 29 augustus 1967 een brief 
naar Nancy Cornelia Bal, wonende aan de Wilhelminastraat 6a te Breda, wier 
adres hij enige maanden tevoren had verkregen via de burgelijke stand van 
Breda. Prinsen verkeerde, zo blijkt uit zijn brief, in de veronderstelling 
dat Nancy Bal een dochter was van radiopionier Leonard Bal.

De brief van Prinsen is kennelijk direct doorgestuurd naar de Heer Krien 
Bal te Nijmegen, want reeds op 4 september 1967 stuurt deze een antwoord 
waarin hij Prinsen opmerkzaam maakt op zijn vergissing en uiteenzet dat de 
vader van mevrouw N.C. Bal de broer was van zijn eigen vader, radiopionier 
Leonard Bal. Uit de brief van Krien Bal blijkt dat Prinsen jaren eerder ook 
al eens contact met hem had gezocht over de kwestie van de octrooiaanvrage. 
Uit het antwoord spreekt voorts wantrouwen en een afwerende houding, want 
Krien Bal formuleert een vijftal vragen waarop hij eerst antwoord verlangt 
alvorens nader met Prinsen in contact te willen treden. Krien Bal 
informeert naar (1) de juiste bedoeling van het schrijven van Prinsen, (2) 
welk belang hij erbij heeft de octrooiaanvrage in te zien, (3) wat zijn 
relatie tot het Postmuseum is, (4) of Prinsen over vergelijkbaar materiaal 
beschikt, en (5) wat zijn mening is over de, zoals hij het formuleert, 
'indertijd afgewimpelde' octrooiaanvrage. Deze laatste vraag mag hoogst 
wonderlijk heten, want hiermee verlangt hij op voorhand een inhoudelijk 
oordeel over de octrooiaanvrage van Bal en de afwijzing daarvan als 
voorwaarde om deze te mogen inzien, terwijl een gefundeerd oordeel daarover 
nu juist eerst mogelijk wordt door inzage.

Nog de volgende dag, 5 september 1967, stuurt het hoofd van de afdeling 
elektrotechniek van het Postmuseum, Ing. P.A. de Boer, eveneens een brief 
aan Krien Bal, waarin hij verzoekt de heer Prinsen toestemming te willen 
verlenen om de octrooiaanvrage uit 1918 te mogen inzien. De Boer betoogt in 
zijn brief dat inzage aanzienlijk zou kunnen bijdragen aan opheldering van 
de historische vraag wie in Nederland de eerste radiolamp (bestemd voor 
verkoop aan particulieren) in de handel heeft gebracht. Hij probeert zijn 
argument kracht bij te zetten met de mededeling dat op de aanstaande Firato 
tentoonstelling te Amsterdam ook een "Bal"-versterker [sic] met n lamp 
zal worden tentoongesteld, maar dat 'de vraag of Bal of Philips de eer van 
het pionierschap toekomt' onbeantwoord moet blijven. De Boer besluit zijn 
brief met de opmerking dat het de heer Bal, naar hij aanneemt, bekend zal 
zijn dat 'aan een octrooi van bijna 40 jaren geleden geen enkele financile 
waarde wordt toegekend'.

Afgezien daarvan dat De Boer er blijk van geeft niet te kunnen rekenen, 
omdat de bedoelde octrooiaanvrage op het moment van zijn schrijven al bijna 
50 jaar terug ligt, snijdt zijn argument dat inzage van belang zou zijn 
voor opheldering van de vraag wie als eerste in Nederland een radiolamp in 
de handel heeft gebracht geen hout. Uit de gegevens die op het moment van 
schrijven al door Prinsen ten behoeve van het Postmuseum waren 
bijeengebracht kon namelijk geen andere conclusie worden getrokken dan dat 
het Electro Technisch Bureau Bal reeds in april 1918 drie-elektroden-lampen 
in de handel had gebracht, terwijl de Philips-Ideezet lampen pas enkele 
maanden later omstreeks augustus 1918 in de handel werden gebracht.

Prinsen stuurt vervolgens op 14 september 1967 een antwoord op de brief van 
Krien Bal d.d. 4 september 1967, waarin hij ingaat op elk van de vijf 
gestelde vragen. Prinsen zet uiteen dat de triode reeds in 1907 door Lee de 
Forest was gepatenteerd, en dat het 'voor latere pioniers alleen mogelijk 
[was] octrooi te verkrijgen op verbeteringen'. Hij geeft verder aan dat het 
Postmuseum graag wil weten of Bal zijn aanvrage destijds heeft 
teruggetrokken of dat deze is afgewezen, en wat de speciale kenmerken van 
de voorgedragen vinding waren. Tot slot wijst Prinsen erop dat een octrooi 
ten hoogste 17 jaar duurt, wanneer men althans de jaartaxen betaalt 
[Artikel 47 van de Rijksoctrooiwet van 1910 spreekt over een termijn van 20 
jaar, gerekend vanaf de dag van indiening van de aanvrage, HvdO]. Er is 
dus, zo concludeert Prinsen aan het einde van zijn brief, 'geen enkel 
geldelijk voordeel meer te verkrijgen, alleen de uitvinders eer. Dat is 
echter ook belangrijk'.

Ook deze brief heeft er niet in geresulteerd dat het Postmuseum in het 
bezit kwam van de gevraagde machtiging, want uiteindelijk noteert Prinsen 
in zijn aantekeningen over de op 29 augustus 1967 in gang gezette 
correspondentie het volgende:

'Aangezien alleen de erven een niet verleend octrooi mogen inzien of een 
beschrijving kunnen ontvangen, en deze hier niet aan meewerken, is het niet 
mogelijk hieruit gegevens te putten'.

Op 14 oktober 1967 stuurt Prinsen nogmaals een brief naar de heer Krien Bal 
te Nijmegen, waarin hij meedeelt dat op de historische afdeling van de 
inmiddels gehouden Firato expositie de Bal lamp werd tentoongesteld, maar 
dat er echter een portret ontbrak. Prinsen verzoekt dan ook een foto van 
Leonard Bal naar het Postmuseum te zenden, en daarbij te vermelden wanneer 
deze foto ongeveer is gemaakt. De brief zwijgt verder over de eerder 
gevraagde toestemming om de octrooiaanvrage te mogen inzien, waaruit we 
gezien de aantekening van Prinsen mogen opmaken dat de poging om de 
gevraagde toestemming te verkrijgen toen reeds was gestrand op de onwil van 
Krien Bal om hieraan zijn medewerking te verlenen.

Overigens schijnt er ook geen gevolg te zijn gegeven aan het verzoek om het 
Postmuseum een foto van Leonard Bal ter beschikking te stellen. Bij mijn 
eerste bezoek aan het Postmuseum, bijna twee decennia later, vernam ik van 
de toenmalige conservator, de heer A. van Aanhout, dat het museum nog 
altijd niet beschikte over een foto van Leonard Bal.

Hoewel de verzoeken in 1962-1963 aan het adres van Leo Bal jr. alsmede in 
1967 (en kennelijk ook al eerder) aan het adres van Krien Bal om het 
Postmuseum toestemming te verlenen bij de octrooiraad het dossier in te 
mogen te zien en een fotokopie van de stukken te verkrijgen vruchteloos 
zijn gebleven, blijkt er in hetzelfde tijdvak toch belangstelling te zijn 
bij de beide zoons van Leonard Bal om kennis te nemen van de inhoud van de 
destijds door hun vader ingediende octrooiaanvrage.

In het najaar van 1965 heeft de heer Leo Bal jr. Max Polak kennelijk 
verzocht om navraag te doen omtrent de in 1918 door zijn vader ingediende 
octrooiaanvrage, want op 25 oktober 1965 stuurt Polak een briefkaart aan 
Bal jr. waarbij hij o.m. het volgende schrijft:

'Zeer Geachte Heer Bal. Een onderzoek bij de octrooiraad heeft mij geleerd, 
dat de octrooiaanvrage 9632 op naam van uw vader is afgewezen vr de 
openbaarmaking. De aanvrage is dus in het geheime stadium gebleven en het 
dossier bevindt zich in het oude archief zodat men mij niet direct kon 
zeggen wie de gemachtigde is geweest.'

Enkele dagen later, op 1 november 1965, schrijft Krien Bal een brief aan 
Leo Bal (origineel in dossier Bal, Omroepmuseum), waarin hij verslag doet 
van een gesprek met hun moeder over de glorietijd van Leonard Bal. Uit de 
brief blijkt dat de heer Krien Bal op verzoek van zijn broer navraag bij 
haar heeft gedaan over diverse namen, om na te gaan of de betreffende 
personen destijds in contact hebben gestaan met Leonard Bal. Aan het einde 
van de brief schrijft Krien Bal echter ook nog het volgende:

'Heb je de octrooi stukken al gezien en eventueel gefotograveerd. Het is 
van het grootste belang om een vergelijk te maken of anderen dezelfde 
methode hebben toegepast als vader. Ik ben zeer benieuwd.'

Uit n en ander blijkt dat de beide zoons van Leonard Bal in ieder geval 
in het najaar van 1965 zeer genteresseerd waren zelf kennis te nemen van 
de inhoud van de octrooiaanvrage, maar dat zij anderzijds diverse 
gelijkaardige verzoeken van de zijde van het Postmuseum, zowel enkele jaren 
eerder als enkele jaren later, hebben afgeweerd of naast zich neer hebben 
gelegd. Hieruit kan ik alleen maar de conclusie trekken dat beiden, 
niettegenstaande de verzekering van de zijde van het Postmuseum van het 
tegendeel, in de veronderstelling hebben verkeerd dat er mogelijk toch nog 
rechten konden worden ontleend aan de aanvrage uit 1918 en er dus mogelijk 
ook nog financile belangen in het geding waren. Kennelijk waren beiden 
niet op de hoogte met (de betekenis van) het eenvoudige feit dat Leonard 
Bal destijds niet in beroep was gegaan tegen de afwijzing van zijn 
aanvrage, en dat met het verstrijken van de beroepstermijn de afwijzing 
onherroepelijk was geworden, waarmee geen enkel recht meer aan de 
ingediende aanvrage kon worden ontleend.

Ook het in 1965 aan Max Polak gerichte verzoek om een onderzoek in te 
stellen naar de octrooiaanvrage van Leonard Bal heeft er niet toe geleid 
dat Leo Bal jr. in het bezit kwam van de gevraagde documenten, want vele 
jaren later, in 1981, onderneemt hij opnieuw een poging om in het bezit te 
komen van gegevens omtrent de octrooiaanvrage. Uit een brief van E.G. 
Brunet de Rochebrune, Hoofd van de Post-, Aanmelding- en Registerafdeling 
van de octrooiraad d.d. 20 oktober 1981 blijkt dat Leo Bal jr. op 14 
oktober 1981 een telefonisch onderhoud met hem heeft gehad en dat hij 
daarbij kennelijk heeft verzocht een onderzoek in te stellen in de 
registers van de octrooiraad. Brunet de Rochebrune meldt in zijn brief het 
resultaat van het ingestelde onderzoek en stuurt 2 fotokopien mee uit 
kaartsystemen van de aanvraagafdeling, waaraan ik de hierboven vermelde 
administratieve gegevens omtrent de octrooiaanvrage van Leonard Bal heb 
ontleend. De brief zegt echter niets over andere bij de octrooiaanvrage 
behorende bescheiden, zoals de beschrijving van de voorgedragen vinding, 
het door de gemachtigden ingestelde onderzoek en de rapportage daarvan, en 
de motivatie voor de afwijzing van de aanvrage.

Uit het bovenstaande blijkt dat alle betrokkenen er kennelijk stilzwijgend 
van uit zijn gegaan dat het complete dossier omtrent de in 1918 gedane maar 
afgewezen aanvrage ook decennia later nog in de archieven van de 
octrooiraad zou moeten zijn bewaard. Zelf heb ik nooit helderheid verkregen 
over de vraag of de complete dossiers van niet verleende resp. niet 
openbaar gemaakte aanvragen nu wel of niet werden bewaard, en zo ja, of er 
voor dergelijke dossiers ook een bepaalde bewaartermijn bestond, zodat de 
octrooiraad na afloop van deze termijn niet langer gehouden zou zijn het 
complete dossier te bewaren, en het dus kon worden vernietigd.

Niettemin kunnen we uit de hierboven geciteerde bewoordingen van Prinsen in 
zijn aantekeningen en uit het bericht van Polak opmaken dat zij beiden in 
de veronderstelling verkeerden dat het (complete) dossier van de aanvrage 
nog zou moeten bestaan. Het bericht van Polak uit 1965 is in dit verband 
zeker serieus te nemen, want Max Polak was in 1939 medeoprichter geweest 
van het bekende octrooigemachtigdenbureau Polak & Charlouis te Den Haag. 
Bovendien was Polak sindsdien steeds werkzaam geweest als 
octrooigemachtigde, zodat we kunnen aannemen dat hij goed op de hoogte was 
met de administratieve procedures rondom octrooiaanvragen.

- Jan Corver heeft, voor zover mij bekend, afgezien van terloopse 
opmerkingen, vier maal in enigszins uitgebreide vorm iets geschreven over 
het optreden van Leonard Bal op de eerste Nederlandse radiotentoonstelling 
georganiseerd door de NVVR. Ik zou daar het een en ander over willen 
opmerken, aangezien Piet Bakker voornamelijk op grond van de teksten van 
Corver verstrekkende conclusies meent te kunnen trekken aangaande de 
herkomst van de door Leonard Bal op de tentoonstelling gedemonstreerde 
drie-elektroden-lampen. De bedoelde passages, in chronologische volgorde 
van publicatie, zijn de volgende:

(1) Voorwoord in de catalogus van een tentoonstelling t.g.v. het 1e lustrum 
van de afdeling Rotterdam van de NVVR, november 1922, blz. 17:

'Aan de werkelijke introductie van de drie-electrodenlamp als detector in 
ons land, is de naam verbonden van het toenmalige Tech. Bureau Bal te 
Breda. Zijn demonstratie op de in Maart 1918 door onze vereeniging gehouden 
Radiotentoonstelling te den Haag, was voor onze amateurs het beslissende 
moment. Waar de eerste Bal-lampen eigenlijk vandaan kwamen, dat is altijd 
wat geheimzinnig geweest. De latere werden gemaakt door Pope te Venlo, maar 
model en samenstelling waren het resultaat van onderzoekingen in de 
laboratoria van Philips te Eindhoven. Het "schema-Bal" droeg typ[i]sche 
kenmerken van ontstaan te zijn, zuiver door probeeren, door iemand, die de 
litteratuur *niet* kende. Hoofdzaak was, dat plotseling de lampen voor 
ieder verkrijgbaar kwamen. In een paar maanden tijds was het daarna zoo 
ver, dat men er in Nederland minstens even veel uit haalde als ergens anders.'

(2) Radio-Expres, 7e jaargang, 15 maart 1929, blz. 1:

'Eerst in het voorjaar van 1918, tijdens de radiotentoonstelling der N. V. 
V. R. in den Dierentuin te den Haag, bracht de fa. Bal uit Breda in nog 
gering aantal radiolampen in algemeenen omloop. Het duurde wel eens drie of 
vier weken, alvorens zoo'n lamp, die men bestelde, geleverd werd. Dit in 
aanmerking nemende, kan men zeggen, dat de prijs van tien gulden tegenover 
de huidige prijzen niet eens geweldig was. Kort daarop kwamen door 
samenwerking van de Philips' Gloeilampenfabrieken met ingenieur Idzerda de 
Philips Idz.-buislampen in den handel. En te Eindhoven begon nu ook de 
ontwikkeling van zendlampen. Tien watt plaatenergie was voorloopig het 
maximum.'

(3) J. Corver, Radiozenders en Ontvangers. Diligentia, Amsterdam 1948, 2de 
druk, blz. 39-40:

'Een nieuwe prikkel voor de industrie ontstond, nadat in 1916 de 
Nederlandsche Vereeniging voor Radiotelegrafie was opgericht met 
medewerking van P.T.T.-autoriteiten en militairen, naast amateurs, welke 
vereniging in 1917 opheffing van het luisterverbod verkreeg en begin 1918 
te Den Haag de eerste radiotentoonstelling in Nederland organiseerde. Op 
die tentoonstelling verscheen de firma Bal uit Breda, met in eigen land 
vervaardigde en in de handel gebrachte versterkerbuizen. (L. Bal en W. 
Kerssemakers, beiden + 1946). De werkelijke herkomst dier buizen, wat 
ontwerpers en makers betrof, was met een zekere geheimzinnigheid omhuld, 
maar direct na de genoemde tentoonstelling in April 1918 brachten Philips' 
Gloeilampenfabrieken te Eindhoven, met Idzerda's Nederlandsche 
Radio-Industrie te Den Haag als verkoopsorganisatie, buizen van geheel 
soortgelijke constructie.'

(4) Rubriek 'Uit de oude doos', Radio Bulletin april 1954, herdrukt in: J. 
Corver, Hoe het begin van de radio is geweest. Uitgegeven ter gelegenheid 
van de 25ste jaargang van Radio Bulletin, De Muiderkring, Bussum, 1956, 
blz. 21-22:

'Het opzienbarende nieuwtje echter bracht het tot dusver onbekende 
Electro-technisch Bureau L. Bal te Breda, nl. de voor het publiek voor de 
prijs van 10 gulden verkrijgbare Bal-lampen en daarmee uitgeruste 
toestellen met terugkoppeling (...). De Bal-lampen waren letterlijk en 
figuurlijk met een waas van geheimzinnigheid omgeven. Letterlijk omdat het 
glas was gematteerd, zodat men het "inwendige" niet kon zien, behalve 
wanneer men met een natte vinger het matglas wat doorzichtig maakte. En 
figuurlijk omdat niemand wist en ook niemand ooit zeker geweten heeft, wie 
deze lampen eigenlijk vervaardigde.

De constructie wees er wel op, dat ze zonder theoretische kennis omtrent 
het gebruik voor radio waren ontworpen en gefabriceerd door een eenvoudig 
fabriekje van verlichtingslampen. Op de beide einden van een glazen 
cylindertje van 5 cm lengte en 2 cm diameter waren mignon-schroeffittings 
(zoals voor kleine kroonlampjes) vastgekit. Aan de fitting van de ene zijde 
zaten de twee einden van de gloeidraad. Aan de andere fitting was aan het 
middencontact het rooster verbonden en aan de schroefdraad de plaat.

De montage in de fabriek was op die manier eenvoudig. Men schoof van de ene 
kant de fitting met de gloeidraad in de glazen buis en van de andere zijde 
de fitting, die twee vlakke draadspiraaltjes en twee daaraan evenwijdige 
plaatjes droeg, op zodanige wijze, dat de gloeidraad midden tussen de 
roosterspiraaltjes kwam.

Het vacuum was niet hoger dan waartoe eenvoudige lichtlampen toen gepompt 
werden. Dat had voor de amateurs het voordeel, dat deze lampdetectoren 
reeds met geringe plaatspanning werkten. Als men er 100 volt "op zette" 
vertoonde het geval een "blauwe gloed" door ionisatie van de luchtresten.

Maar de werking! Men kan zich niet voorstellen hoe het publiek zich 
verdrong op de stand van Bal, die maar aan een afstemcondensator draaide en 
uit zijn op een eenvoudige houten plank gebouwde toestel alle denkbare 
zenders tevoorschijn toverde, enkel Morse-signalen nog altijd, maar de 
ongedempte zenders in alle gewenste muzikale toonaarden. Dat trof te meer 
als men het vergeleek met de demonstratie van de militaire ontvangstations 
met lampversterkers, die in indrukwekkende zwarte kasten waren gebouwd, 
waarvan men het inwendige niet kon en niet mocht zien; en het verder 
vergeleek met de pogingen om de eveneens aanwezige coherer-ontvangers te 
doen werken en het zenuwachtige gepriegel van amateurs om met hun 
kristal-detectoren iets hoorbaar te maken.

Een nieuwe tijd was aangebroken. Dat besefte elke leek hier.


Vergelijken we deze teksten, dan valt op dat Corver over een periode van 
meer dan dertig jaar opmerkelijk consistent is gebleven in zijn beoordeling 
van het optreden van Bal op de eerste Nederlandse radiotentoonstelling, dat 
kennelijk een diepe en blijvende indruk op hem had gemaakt. Corver laat er 
ook geen misverstand over bestaan dat de demonstraties van Bal een nieuw 
tijdperk inluidden voor de Nederlandse radio-amateurs en dat de firma Bal 
de drie-elektroden-lampen als eerste in Nederland in de handel en daarmee 
binnen het het bereik van de Nederlandse radio-amateurs had gebracht.

Als ik Piet Bakker goed heb begrepen, dan wil hij voornamelijk op grond van 
(1) en (3) de conclusie trekken dat er reeds vr de tentoonstelling sprake 
zou zijn geweest van een experimentele proefproduktie van 
drie-elektroden-lampen bij (het Natlab van) Philips, dat Bal via contacten 
met Kerssemakers, die weer contacten onderhield met Scheerman bij Philips, 
in het bezit zou zijn gekomen van proefexemplaren uit het Natlab, en dat de 
op de tentoonstelling gedemonstreerde Bal-lampen, waarvan de herkomst 
immers altijd onduidelijk is gebleven, dus in feite in het Natlab van 
Philips geproduceerde proefexemplaren zouden zijn geweest.

Nu zijn er tegen deze interpretatie, mede op grond van de testimonia van 
Corver, een aantal bezwaren in te brengen.

In de eerste plaats zegt Corver in (1) dat model en samenstelling van de 
*latere* Bal-lampen geproduceerd bij Pope te Venlo het resultaat waren van 
onderzoekingen bij Philips, waarbij Corver met het woord 'samenstelling' 
mogelijk doelt op de vulling met argon, maar het is ook duidelijk dat hij 
een scheiding aanbrengt met de 'eerste' Bal-lampen, d.w.z. in ieder geval 
de lampen van de tentoonstelling, zodat de tekst *niet* impliceert dat de 
eerste Bal-lampen eveneens het resultaat van onderzoekingen bij Philips 
zouden zijn geweest.

In de tweede plaats memoreert Corver in (4) het lage vacuum van de 
Bal-lampen, en de blauwe gloed bij een anodespanning van 100 Volt 
veroorzaakt door de ionisatie van *luchtresten*, en daarmee impliceert 
Corver dat de Bal-lampen op de tentoonstelling niet waren voorzien van 
argonvulling, en tevens geeft hij aan dat deze lampen dienden te worden 
gebruikt met een aanzienlijk lagere anodespanning. De Bal-lampen op de 
tentoonstelling hadden dus zeker een andere karakteristiek dan de voor 
proef op het Natlab vervaardigde lampen uit het reeds besproken relaas van 
Scheerman, waaruit weer volgt dat de Bal-lampen op de tentoonstelling niet 
de door Scheerman voor proef vervaardigde lampen kunnen zijn geweest.

Overigens kunnen we op de foto afgedrukt in het tentoonstellingsnummer van 
Radio Nieuws van 16 maart 1918 zien dat de mignon fittingen van de eerste 
Bal-lampen aan de zijde die grenst aan het glas enigszins naar buiten toe 
uitlopen, en datzelfde is ook het geval bij de latere exemplaren waarvan we 
op grond van het opschrift weten dat ze bij Pope in Venlo zijn 
geproduceerd. De mignonfittingen van de lampen die bij Philips zijn 
geproduceerd lopen daarentegen recht aan de zijde die grenst aan het glas. 
Hieruit volgt weer dat de eerste, d.w.z. de op de tentoonstelling 
gedemonstreerde en op de foto in Radio Nieuws getoonde, Bal-lampen 
hoogstwaarschijnlijk eveneens bij Pope in Venlo waren geproduceerd, en niet 
afkomstig waren uit het NatLab van Philips. Corver geeft trouwens in (4) 
aan dat de constructie van de Bal-lampen op de tentoonstelling er wel op 
wees 'dat ze zonder theoretische kennis omtrent het gebruik voor radio 
waren ontworpen en gefabriceerd door een eenvoudig fabriekje van 
verlichtingslampen' en dat is niet een kwalificatie die Corver in 1954 zou 
hebben gebezigd als hij toen van mening zou zijn geweest dat de eerste 
Bal-lampen afkomstig zouden zijn geweest uit het NatLab van Philips.

In de derde plaats zou men (zoals Piet Bakker kennelijk doet) op grond van 
(3) kunnen menen dat Corver hier aanduidt dat de werkelijke herkomst van de 
eerste Bal-lampen weliswaar met geheimzinnigheid was omhuld, maar dat men 
op grond van de omstandigheid dat Philips kort na de tentoonstelling 
'buizen van geheel soortgelijke constructie' op de markt bracht wel kon 
vermoeden dat de eerste Bal-lampen uit dezelfde bron afkomstig waren 
geweest, en dat er derhalve reeds vr de tentoonstelling bij Philips een 
(kleinschalige) proefproductie op gang moest zijn gekomen. Toch kan Corver 
dit onmogelijk zo hebben bedoeld, want enkele jaren later schrijft hij in 
(4) dat 'niemand wist en ook niemand ooit zeker geweten heeft' wie de 
eerste Bal-lampen eigenlijk had vervaardigd, waarmee hij impliceert dat hij 
zelf ook nooit zekerheid heeft verkregen omtrent de herkomst van de eerste 
Bal-lampen.

In de vierde plaats kan Piet Bakker zijn interpretatie van de teksten van 
Corver alleen handhaven met een aantal hypothesen die zich niet met 
contemporaine bronnen laten staven en die deels in strijd zijn met andere 
ons ter beschikking staande gegevens.

Zo neemt hij aan dat reeds vr de tentoonstelling van 17 t/m 21 maart 1918 
in het NatLab van Philips met medeweten van Holst en Oosterhuis een 
(kleinschalige) proefproductie van drie-elektroden-lampen op gang moet zijn 
gekomen. Deze hypothese blijft gratuit zolang zij zich niet laat 
onderbouwen met een contemporaine schriftelijke bron. De hypothese is 
bovendien onverenigbaar met de eerder besproken getuigenis van Ir. H. 
Reufel, die aangeeft dat het onderzoek naar en de (proef)produktie van 
drie-elektroden-lampen op het NatLab onder leiding van Holst en Oosterhuis 
pas ter hand werd genomen naar aanleiding van de tentoonstelling. Tijdens 
ons onderhoud van 11 februari 2002 verwierp Piet Bakker het verhaal van 
Reufel omdat het onverenigbaar is met zijn opvatting, maar ik merk op dat 
hij geen argumenten kon geven waarom het verhaal van Reufel niet juist zou 
(kunnen) zijn.

Voorts neemt Piet Bakker aan dat de door Kerssemakers in 1924 aan de NVVR 
geschonken en in Radio Nieuws van oktober 1924 beschreven 
drie-elektroden-lamp een (vroege) Bal-lamp is geweest. Hij baseert zich 
hiervoor op de overweging dat plaat en rooster in deze lamp waren geplaatst 
in overeenstemming met de ook door Bal in zijn prijscouranten gebezigde 
schematische voorstelling waarbij plaat en rooster ter weerszijden van de 
gloeidraad waren gerangschikt. Meer in het bijzonder meent Piet Bakker dat 
dezelfde voorstelling van de onderlinge opstelling van de elektroden in de 
tekening van de Bal-lamp op de achterzijde van de Bal brochure van januari 
1919 [maar niet de brochure van augustus 1918, HvdO] een aanwijzing zou 
zijn dat ook Bal in het verleden met een dergelijke opstelling van het 
elektrodensysteem zou hebben gexperimenteerd.

Niettemin moeten we vaststellen dat de tekening op de achterzijde van de 
Bal brochure een buisvormig lampje met aan beide uiteinden een 
schoeffitting laat zien en daarmee onmiskenbaar een gestileerde weergave 
representeert van de lamp zoals die door de firma Bal in de handel werd 
gebracht. De weergave van het elektrodensysteem in de tekening is duidelijk 
geen poging om een ook maar enigszins realistische afbeelding van het 
inwendige van de lamp te geven, maar is gent op de door Bal in zijn 
schakelschema's gebezigde schematische voorstelling, die kennelijk 
teruggaat op de ook wel door Lee de Forest (en later nog door AT&T) 
gebruikte schematische voorstellingswijze. Aldus is het vergezocht om in de 
afbeelding van de lamp op de achterzijde van de prijscourant van Bal een 
verband te willen zien met de door Kerssemakers geschonken en in Radio 
Nieuws beschreven lamp.

Er zijn geen aanwijzingen dat Bal een regelmatig contact met Kerssemakers 
zou hebben onderhouden, terwijl we wel weten dat Scheerman en Kerssemakers 
regelmatig contact met elkaar hadden, zodat het aannemelijker is dat het 
door Kerssemakers geschonken lampje n van de heimelijk door Scheerman bij 
Philips vervaardigde proefexemplaren is geweest. Bakker wil dit laatste 
niet aannemen, omdat daardoor de bewering van Scheerman zelf dat k de 
door hem nog in het najaar van 1917 heimelijk vervaardigde proefexemplaren 
reeds de bekende buisvorm met aan beide uiteinden een mignon schroeffitting 
zouden hebben gehad, wordt weerlegd. Piet Bakker kan zijn interpretatie van 
de teksten van Corver alleen handhaven als het verhaal van Scheerman zelf 
juist is, en dat laatste kan alleen het geval zijn als het door 
Kerssemakers in 1924 aan de NVVR geschonken lampje *niet* n van de in het 
najaar van 1917 door Scheerman vervaardigde proefexemplaren is geweest. Om 
deze reden moet Piet Bakker aannemen dat het door Kerssemakers geschonken 
lampje door iemand anders dan Scheerman zou zijn vervaardigd, waartoe hij 
zich beroept op zijn hypothese dat dit lampje door Bal vervaardigd zou zijn.

De hypothese dat het door Kerssemakers geschonken en in Radio Nieuws 
beschreven lampje een (vroege) Bal-lamp zou zijn geweest is evenwel veel 
minder waarschijnlijk dan de hypothese dat het betreffende lampje n van 
de door Scheerman op persoonlijke titel vervaardigde proefexemplaren is 
geweest. Los van deze weging van de relatieve waarschijnlijkheden van beide 
hypothesen is er nog een andere reden om de hypothese te verwerpen dat het 
door Kerssemakers geschonken en in Radio Nieuws beschreven lampje een 
(vroege) Bal-lamp zou zijn geweest. In zijn tekst in het blad Electra van 
april 1939 geeft Max Polak aan dat Bal al een oud-radiovriend was in de 
periode dat hij regelmatig in Breda bij hem op bezoek kwam. Verder weten we 
ook, op grond van het boek van Fleming dat Polak al begin 1914 in zijn 
bezit had, dat Polak al vroeg was genteresseerd in de toepassing van 
lampen bij de radiotelegrafie. Als Bal dus al eens, voordat hij de 
beschikking kreeg over de buisvormige lampjes met de twee mignon 
schroeffittingen, een lampje had vervaardigd of had doen vervaardigen 
gelijk het door Kerssemakers aan de NVVR geschonken lampje, dan zou Polak 
hier zeker van op de hoogte zijn geweest. In dit geval had Polak het op 
aanwijzingen van Bal bij Pope vervaardigde buislampje echter onmogelijk 
kunnen omschrijven als 'de eerste Nederlandse radiolamp', waaruit volgt dat 
de hypothese van Bakker door het bericht van Max Polak in Electra wordt 
weerlegd.

In de vijfde plaats zouden we ons, als de interpretatie van Piet Bakker van 
de teksten van Corver juist zou zijn, moeten afvragen waarom Corver in (3) 
weliswaar Kerssemakers noemt, maar niet Scheerman, terwijl hij hier toch 
spreekt over 'ontwerpers en makers' van de door Bal op de 
radiotentoonstelling gedemonstreerde drie-elektroden-lampen en terwijl geen 
van de beide kwalificaties 'maker' of 'ontwerper' op Kerssemakers van 
toepassing was. Nu valt ook op dat Corver de naam van Scheerman nimmer 
heeft genoemd in verband met de eerste Nederlandse radiolampen. Aan de ene 
kant lijkt dit begrijpelijk, omdat Corver op 3 februari 1956 plotseling is 
overleden (overigens op de dag af 10 jaar na het, eveneens plotselinge, 
overlijden van Leonard Bal), terwijl Scheerman pas daarna, in de Philips 
Koerier van 12 mei 1956, voor het eerst zelf met zijn verhaal naar buiten 
treedt. Omgekeerd zou je je echter af kunnen vragen waarom Scheerman pas zo 
laat, en na het overlijden van Corver, met zijn verhaal in de openbaarheid 
treedt.

Opmerkelijk is ook dat in hetzelfde nummer van de Philips Koerier op de 
tegenoverliggende bladzijde een artikel staat getiteld 'Eerste ontmoeting 
tussen Philips en radio'. In dit artikel wordt een vrij uitvoerig citaat 
uit het tentoonstellingsnummer van Radio Nieuws van 16 maart 1918 
aangehaald over de door Bal gedemonstreerde gloeilampdetectoren. Niettemin 
suggereert het artikel dat de geciteerde tekst betrekking zou hebben op de 
eerste Philips radiolamp, waarvan ook nog wordt gezegd dat deze zou zijn 
gexposeerd door de Nederlandse Radio Industrie van Idzerda. Je kunt je 
afvragen of men dit artikel enkele maanden eerder, toen Corver nog in leven 
was, ook in deze vorm zou hebben willen publiceren.

Als ik de verschillende bronnen voor de door Scheerman op verzoek van 
Kerssemakers vervaardigde drie-elektroden-lampen vergelijk, dan valt op dat 
noch in het artikel 'Philips' gouden radiojaar' van Prof. Halbertsma, noch 
in diens brief aan Vink d.d. 20 januari 1954 melding wordt gemaakt van de 
buisvormige constructie met de twee mignon schroeffittingen die Scheerman 
reeds bij zijn eerste heimelijk vervaardigde proefexemplaren zou hebben 
toegepast, in afwijking met de afbeelding in L'Illustration. De 
veronderstelling dat ook de eerste proefexemplaren van Scheerman reeds een 
buisvormige constructie met twee mignon schroeffittingen hadden berust 
aldus uitsluitend op de beweringen van Scheerman zelf, voor het eerst 
gedaan in de Philips Koerier van 12 mei 1956, en daarna herhaald in het 
interview met Halbertsma van 21 februari 1961 en in het artikel van zijn 
eigen hand in het Philips Technisch Tijdschrift van 28 september 1966. 
Zoals beargumenteerd, is deze bewering onaannemelijk, omdat het door 
Kerssemakers in 1924 aan de NVVR geschonken lampje, door Corver omschreven 
als 'n der allereerste drie-electrodenlampen, voor proef in Nederland 
gemaakt', moeilijk iets anders kan zijn geweest dan n van de door 
Scheerman bij Philips vervaardigde proefexemplaren.

Nu resteert nog de vraag waarom Corver in (3) Bal en Kerssemakers tesamen 
noemt. Duidelijk is wel, dat de mededeling dat beiden in 1946 zijn 
overleden eerst in de tweede druk van 1948 is toegevoegd, omdat beiden bij 
het ter perse gaan van de eerste druk in 1944 nog in leven waren. Piet 
Bakker meldt in Aether nr. 60, juni 2001, blz. 18 overigens dat Walter 
Kerssemakers op 3 april 1945 op 61-jarige leeftijd is overleden. Het is mij 
op dit moment niet bekend of Kerssemakers in de eerste druk van deze tekst 
berhaupt wordt genoemd, maar ik meen te hebben begrepen dat dat niet het 
geval is en dat het gehele stuk tekst tussen haakjes pas in de tweede druk 
is toegevoegd. Dit laatste maakt de veronderstelling van Piet Bakker dat 
Corver hiermee heeft willen aangeven dat Bal en Kerssemakers gezamelijk op 
de radiotentoonstelling zouden hebben gestaan er niet bepaald sterker op, 
want er is geen zinnige reden te bedenken waarom Corver een dergelijk 
gegeven zou hebben willen verzwijgen zolang beiden nog in leven waren, om 
het na hun beider dood naar buiten te brengen en het dan vervolgens in de 
enkele jaren gepubliceerde uitgebreidere tekst (4) weer te verzwijgen. Het 
is denkbaar, zelfs aannemelijk, dat de naam Kerssemakers Corver is 
bijgebleven in verband met de geschiedenis van de radiolamp in Nederland, 
want in 1924 had hij al, met een naar we nu weten vooruitziende blik, 
gesproken van 'een belangwekkend geschenk van historische waarde' dat van 
belang was voor 'de historie der lamp in Nederland'. Mogelijk heeft Corver, 
toen hij binnen korte tijd geconfronteerd werd met het overlijden van zowel 
Bal als Kerssemakers, die voor hem beiden waren verbonden met de vroegste 
geschiedenis van de radiolamp in Nederland, daarom gemeend bij de 
herziening van zijn tekst beiden te moeten noemen, zonder daarmee te hebben 
willen impliceren dat Kerssemakers op enigerlei wijze betrokken zou zijn 
geweest bij de demonstraties van Bal op de eerste Nederlandse 
radiotentoonstelling.

- Gegevens over activiteiten van Leonard Bal op het gebied van de radio 
vr zijn optreden op de eerste Nederlandse radiotentoonstelling zijn 
schaars. Geboren te Ravenstein op 7 augustus 1881 vertrok hij rond de 
eeuwwisseling naar Engeland, waar hij werd opgeleid en werkzaam was als 
horlogemaker en graveur. In Engeland leerde hij in 1908 ook zijn 
toekomstige echtgenote Aleida Sterrenburg kennen, die toen au pair was. Na 
terugkeer naar Nederland vestigde Bal zich in juli 1910 in Ginneken, waar 
hij op 3 augustus 1910 in het huwelijk trad. De gedachte is wel geopperd 
dat Bal reeds in Engeland belangstelling had gekregen voor draadloze 
telegrafie, omdat er bij uurwerkmakers al vroeg interesse bestond in de 
ontvangst van precisietijdseinen. (De eerste draadloze tijdseindienst werd 
in 1907 opgericht, het station Camperdown bij Halifax). In Ginneken bezat 
Bal een elektrotechnisch installatiebedrijf dat zich had toegelegd op de 
ombouw van huisinstallaties van gasverlichting naar elektrisch licht. 
Omstreeks 1915 moeten plannen om zich serieus met radio bezig te gaan 
houden vastere vormen hebben aangenomen, want in de periode september 1915 
tot september 1917 ging Bal voor n dag in de week naar Rotterdam om daar 
aan de Gemeentelijke Zeevaartschool een opleiding tot radiotelegrafist te 
volgen. Het vroegste tastbare bewijs voor een activiteit van Bal op 
radiogebied bestaat uit een aantal rekeningen van het Technisch Bureau 
Wireless uit september en oktober 1916, waaruit blijkt dat Bal in deze 
periode een aantal malen een bezoek heeft gebracht aan de zaak van Idzerda 
gevestigd aan de Van Hovestraat 105 te Den Haag. Tot de aangeschafte 
onderdelen behoren zaken als glijstaven, glijcontacten, blokcondensatoren, 
een variabele condensator, en diverse kristallen (zinkiet, borniet, 
koperpyriet, silicon), duidelijk bedoeld voor de bouw van een ontvanger. 
Uit de omstandigheid dat Bal de benodigdheden voor de bouw van een enkele 
ontvanger aanschafte in de detailhandel kunnen we opmaken dat zijn eigen 
firma in deze periode in ieder geval nog niet handelde in apparaten of 
onderdelen voor draadloze telegrafie. In juni 1917 publiceerde Bal een 
artikeltje in het toenmalige orgaan van de NVVR, het Maandblad voor 
Telefonie en Telegrafie, over de constructie van een potentiometer voor 
amateurs, bedoeld voor het verkrijgen van een regelbare polarisatiespanning 
bij gebruik van bepaalde typen detectoren. Het artikel maakt duidelijk dat 
Bal zich inmiddels had ontwikkeld tot een inventief amateur, die in de 
achterliggende periode kennelijk veel ervaring had opgedaan met 
ontvangstproeven met verschillende typen kristaldetectoren. Op 13 en 27 
augustus 1917 legde Bal te Rotterdam met goed gevolg het examen 
radiotelegrafist 2e klasse af, waarvoor hem op 25 september in Den Haag het 
bijbehorende certificaat werd uitgereikt. In het najaar van 1917 moeten de 
plannen voor de vervaardiging van een gloeilampdetector gestalte hebben 
gekregen, waarbij de belangstelling van zijn vriend Max Polak voor dit 
onderwerp, de groeiende belangstelling voor radiolampen onder amateurs in 
het algemeen, en de door opheffing van het luisterverbod herkregen vrijheid 
om proeven te nemen bepalend kunnen zijn geweest (vergelijk de opmerking 
van Kunen in Radio Nieuws van november 1919, blz. 355). Zoals we uit het 
bericht van Polak in 'Electra' kunnen opmaken beschikte Bal echter pas na 
zijn verhuizing naar Breda, dus niet eerder dan begin 1918, over een 
werkende drie-elektroden-lamp, terwijl hij ook het principe van de 
terugkoppeling betrekkelijk kort vr de tentoonstelling van 17 t/m 21 
maart 1918 onder de knie moet hebben gekregen. De aanmelding voor deelname 
aan de tentoonstelling kan in een laat stadium zijn geschied, want in Radio 
Nieuws van 1 maart 1918, blz. 37-39 lezen we dat de industrie zou worden 
vertegenwoordigd door een 10-tal firma's, terwijl in de uiteindelijke 
tentoonstellingscatalogus (exemplaar aanwezig in Postmuseum) 16 inzendingen 
van industrile ondernemingen worden opgesomd, waaronder 'L. Bal, 
Electro-Tech. Bureau, Breda' met 'Complete ontvangstations met 
"Bal"-gloeilampdetector'. In het bericht van 1 maart wordt alvast een 
overzicht gegeven van de belangrijkste inzendingen die op de komende 
tentoonstelling te zien zouden zijn, maar gloeilampdetectoren worden hier 
nog niet genoemd, terwijl dat in het speciale tentoonstellingsnummer van 16 
maart wel het geval is. Een nadere bestudering van de inhoud van het maart 
nummer 1918 van Radio Nieuws leert dat de redactie van dit nummer moet zijn 
afgesloten omstreeks 20 februari (vgl. blz. 45 en 59). Uit een en ander 
kunnen we opmaken dat het besluit van Bal om aan de tentoonstelling deel te 
nemen kan zijn gevallen in de laatste week van februari of wellicht zelfs 
in de eerste dagen van maart.

- Over Max J. Polak zijn mij niet veel gegevens bekend, maar ik zal toch 
een poging doen n en ander op een rijtje te zetten. Uit de aantekeningen 
van Prinsen in het Postmuseum maak ik op dat Polak al in 1910 met Pieter 
Cornelius Tolk (geb. 12 februari 1890) een draadloze telegrafieverbinding 
tot stand zou hebben gebracht en dat beiden op 1 december 1913 2e luitenant 
werden bij de infanterie. Op 23 januari 1914 stuurde Polak een 
verzoekschrift aan de Minister van Waterstaat waarin hij verzocht hem 
overeenkomstig de bekendmaking d.d. 21 januari 1914 een vergunning voor de 
ontvangst van radiotelegrafische seinen te willen verlenen (bron: archief 
centrale directie P.T.T.). In dit schrijven meldt Polak dat hij student 
elektrotechniek is aan de TH Delft en dat hij woont aan de Mathenesserlaan 
364a te Rotterdam. Polak was n van de eersten die gebruik maakten van de 
begin 1914 ingestelde mogelijkheid een luistervergunning aan te vragen. 
Volgens Corver kwamen er binnen enkele maanden zo'n 400 aanvragen binnen, 
waarna bij Koninklijk Besluit van 11 juli 1914 de ontvangst geheel vrij 
werd gegeven, zonder dat men een vergunning behoefde te vragen. In het 
P.T.T. archief zijn alleen de eerste vijf binnengekomen aanvragen bewaard 
gebleven, zodat niet meer is na te gaan of bijv. Bal destijds ook een 
verzoek heeft ingediend. Uit het verzoekschrift van Polak kunnen we 
concluderen dat hij in ieder geval niet later dan september 1913 met de 
studie in Delft kan zijn begonnen, zodat hij zeker niet later dan omstreeks 
1895 kan zijn geboren, en wellicht omstreeks 1890 is geboren, aangenomen 
dat hij (ongeveer) even oud was als Tolk. In ieder geval is Polak in 1921 
in Delft afgestudeerd (bron: naamlijst Koninklijk Instituut van Ingenieurs, 
Jrg. 1975). Begin 1917 nam Polak samen met L.F. Steehouwer, docent 
radiotelegrafie aan de Gemeentelijke Zeevaartschool, het initiatief tot de 
oprichting van een afdeling Rotterdam van de NVVR. Op 26 oktober 1917 vond 
de oprichtingsvergadering plaats, waarbij Polak tot voorzitter werd gekozen 
en Steehouwer tot secretaris-penningmeester (bron: Maandblad voor Telefonie 
en Telegrafie december 1917, blz. 92). Polak publiceerde in het 
decembernummer 1917 van het Maandblad in de rubriek 'Constructies voor 
amateurs' ook nog een uitgebreid artikel over (akoustische) 
geluidsversterkers. De volgende jaren bleef hij af en toe artikelen 
publiceren in Radio Nieuws, terwijl hij ook regelmatig lezingen blijkt te 
hebben gegeven. In 1920 richtte Polak samen met Koumans een 
Elektrotechnisch ingenieursbureau op gevestigd aan de Schiekade 177 te 
Rotterdam. Begin jaren '20 publiceerde Polak een boekje over het zelf 
bouwen van radiotoestellen, bewerkt naar een Engels origineel. Later was 
Polak redacteur van verschillende radiotijdschriften, o.m. Radiowereld (?). 
In 1939 was hij medeoprichter van het octrooigemachtigdenbureau Polak en 
Charlouis te Den Haag. Vanaf dit tijdstip is Polak kennelijk voornamelijk 
werkzaam geweest als octrooigemachtigde. In 1949 publiceerde hij nog een 
specialistisch woordenboekje Engels-Nederlands en Nederlands-Engels op het 
gebied van octrooi- en merkrecht. Het is mij niet bekend wanneer hij is 
overleden, maar in ieder geval was hij blijkens de naamlijst van het 
Koninklijk Instituut van Ingenieurs midden jaren '70 nog in leven.

Addendum: Driesens stelt in zijn boek, blz. 43, dat Polak rond 1914 ging 
studeren en vijf jaar later zijn diploma haalde. Dit is niet juist omdat 
hij pas in 1921 is afgestudeerd. Kennelijk heeft Polak de opleiding tot 
elektrotechnisch ingenieur in deeltijd gedaan, aangezien hij vanaf december 
1913 tot ca. december 1918 tevens in dienst was als Reserve 2e Luitenant 
der Infanterie.

- Als we nu proberen tot een afrondend oordeel te komen over de plaats van 
Leonard Bal binnen de geschiedenis van de radio in Nederland, dan kunnen we 
beginnen met vast te stellen dat, zoals Corver altijd heeft aangegeven, 
zijn demonstratie op de door de NVVR georganiseerde tentoonstelling van 
maart 1918 voor de Nederlandse amateurs het begin van een nieuwe tijd 
markeerde, omdat zij hiermee de beschikking kregen over lampen. Zoals 
Corver ook heeft aangegeven komt Bal de eer toe de drie-elektroden-lamp in 
Nederland te hebben gentroduceerd door deze als eerste in de handel en 
daarmee binnen het bereik van de Nederlandse amateurs te brengen.

Wat de herkomst van de eerste, op de tentoonstelling gedemonstreerde, 
Bal-lampen betreft moeten we, zoals beargumenteerd, aannemen dat deze 
evenals de latere serie-exemplaren bij Pope in Venlo waren vervaardigd. Uit 
het ontbreken van een aanduiding van herkomst op de lampen op de 
tentoonstelling laat zich niet meer afleiden dan dat deze lampen kunnen 
hebben behoord tot een proefproductie voorafgaande aan de reguliere 
serieproductie bij Pope, wat in overeenstemming is met de bevinding dat Bal 
pas betrekkelijk kort voor de tentoonstelling over bruikbare 
drie-elektroden-lampen heeft kunnen beschikken. Wat de constructie betreft 
kan worden opgemerkt dat het gebruik van een schroeffitting voor de 
aansluitingen van rooster en plaat resulteerde in een grote parasitaire 
capaciteit tussen deze elektroden. De lampen waren kennelijk zonder 
theoretische kennis omtrent het gebruik voor radio ontworpen, zoals Corver 
terecht heeft opgemerkt. Het is mogelijk dat het idee voor de buisvorm met 
de twee mignon schroeffittingen afkomstig is geweest van Bal, die immers 
geen diepgaande theoretische opleiding had genoten.

De suggestie van Kaleveld in het boek 'Vijftig jaar VERON, Honderd jaar 
Radio' dat de buisvorm met de twee mignonfittingen zou zijn overgenomen van 
de eind 1917, begin 1918 bij de 'Holland' fabriek in Utrecht geproduceerde 
lampen is alleen houdbaar als de begin 1918 aan de Marine geleverde lampen 
reeds deze uitwendige vorm zouden hebben gehad. Dit laatste is echter zeer 
onzeker. De in het boek van Tyne afgebeelde 'Holland' lamp met twee mignon 
schroeffittingen kan sowieso niet in november 1917 zijn vervaardigd, en is 
mogelijk een lamp zoals die pas jaren later door 'Holland' werd geproduceerd.

Het inwendige van de Bal-lampen, het elektrodensysteem, moet zijn 
overgenomen van het dubbelzijdige ontwerp van Lee de Forest, waarmee het 
geheel overeenstemt. Ook de schematische voorstellingswijze van de lamp in 
de latere prijscouranten van Bal wijst op de invloed van Lee de Forest. 
Overigens moet het in kringen van de NVVR al vr aanvang van de 
tentoonstelling bekend zijn geweest dat het elektrodensysteem van de 
drie-elektroden-lampen die door Bal op de tentoonstelling zouden worden 
gedemonstreerd was gebaseerd op dat van de Amerikaanse audions. In De 
Telegraaf van zondag 17 maart 1918 lezen we namelijk op blz. 9 in een 
bericht over de opening van de tentoonstelling: 'Een der industrieele 
inzenders, het Technisch Bureau Bal te Breda, brengt eveneens iets nieuws 
voor Nederland op ontvangstgebied, den Bal-detector (gloeilamptype) verwant 
aan de Amerikaansch[e] audrins [audions, HvdO]'. Aangezien deze informatie 
(mede gezien de verbastering van het woord 'audion') niet kan zijn ontleend 
aan de tentoonstellingscatalogus noch aan het speciale 
tentoonstellingsnummer van Radio Nieuws, moet de informatie de dag tevoren 
zijn verkregen van iemand die bij de organisatie van de tentoonstelling was 
betrokken.

Over de schakeling die Bal ten tijde van de demonstraties gebruikte kunnen 
we opmerken dat hij beschikte over een teruggekoppelde roosterdetector, die 
hem in staat stelde ongedempte seinen 'in alle gewenste muzikale 
toonaarden' ten gehore te brengen. Blijkens de beschrijving van Corver 
maakte Bal in ieder geval voor de afstemming, en mogelijk ook voor de 
regeling van de terugkoppeling, gebruik van een variabele condensator, 
zodat het schakelschema gelijk kan zijn geweest aan het "schema-Bal" 
afgedrukt in de latere prijscouranten, waarover Corver enkele jaren later 
zou opmerken dat het typische kenmerken vertoonde van een schakeling die 
was ontstaan zuiver door proberen, en door iemand die de literatuur niet 
kende. Een en ander is in overeenstemming met de anecdote van Polak waarin 
hij vertelt hoe Bal, kennelijk betrekkelijk kort voor de tentoonstelling, 
de terugkoppeling ontdekte. Of Bal voor zijn demonstraties gebruik heeft 
gemaakt van geluidsversterking om de signalen in de gehele 
tentoonstellingszaal ten gehore te brengen kunnen we uit de beschrijving 
van Corver niet afleiden, maar dit lijkt niet waarschijnlijk. De 
mogelijkheid om dit te doen bestond echter wel, want Bal zou bijvoorbeeld 
gebruik kunnen hebben gemaakt van een methode zoals die door Polak in 
december 1917 in het Maandblad voor Telefonie en Telegrafie was beschreven.

Direct na de tentoonstelling wordt in de advertenties van de firma Bal in 
het blad Radio Nieuws van april 1918 de Bal lampdetector te koop 
aangeboden. En maand later, in mei 1918, wordt tevens een compleet 
ontvangtoestel, het type "T.B.B.", te koop aangeboden. Voor zover is na te 
gaan is dit het eerste in Nederland in serie vervaardigde en in de handel 
gebrachte complete toestel geweest dat was voorzien van een lampdetector. 
Een klein jaar later, in het voorjaar van 1919, had de firma Bal nog 
nmaal een Nederlandse primeur door als eerste complete apparaten voor 
draadloze telefonie in de handel te brengen resp. te leveren aan officile 
instanties.


Haye van den Oever 
 